MENU
Recensie: Cass McCombs – Mangy Love
3 oktober 2016
810 WOORDEN 2 MINUTEN

Sinds zijn debuut in 2004, A, is Cass McCombs nauwelijks van gedaante veranderd. Toen al inhoudelijk maatschappijkritisch, afgevuurd vanuit de schaduwen van de popcultuur. Vormelijk nog stoffig, ongepolijst, maar toch gehuld in een zacht, knus huidje. Twaalf jaar later is Cass’ tactiek onaangepast gebleven – Orlando en Trayvon Martin hebben diepe wonden gekerfd – maar zijn muziek op Mangy Love is wel onderworpen aan een heftige schoonmaakbeurt: de planken zijn afgestoft, wierook zwerft door de kamer die nu gevuld is met strak afgewerkt meubilair, perfect gearrangeerd als comfort-vacuüm waar de tafel is gedekt for some ye olde food for thought.

Het genootschap van mensen genaamd Amerika staat momenteel te trillen op zijn grondvesten. In de politiek is er de dreiging van een pathologische leugenaar als presidentskandidaat die daadwerkelijk een groot deel van het volk meekrijgt door zijn extreme conservatisme luidkeels ten gehore te brengen. In het sociaalpolitieke landschap heerst er een anti-saamhorigheidsgevoel door de sterke raciale segregatie sinds het toenemende aantal donkergekleurde dodenaantal dankzij politieschoten. Dit begon in 2012 toen de 17-jarige Trayvon Martin, onwetend en hulpeloos, terugkeerde van een laat bezoek aan de plaatselijke supermarkt toen hij in zijn borst werd geschoten door George Zimmerman en overleed. ‘Trayvon vertoonde verdacht gedrag’ was de motivatie. Zimmerman werd vrijgesproken en Obama sprak zijn volk toe:

When you think about why there’s a lot of pain around what happened here, I think it’s important to recognize that the African American community is looking at this issue through a set of experiences and a history that doesn’t go away.

McCombs voelt ook aan dat de wonden die gecreëerd zijn in de tijd van het kolonialisme zijn opengereten door de waarborgers van de blanke wet met de blauwe pet. “The white dog of the farm still breeds/She’s off her leash/To tear flesh and teach”, zingt hij in zijn klaagzang Bum Bum Bum. Hij verwijst hier naar Samuel Fuller’s White Dog (1982), een film die het verhaal vertelt van een witte herder die getraind is zwarte mensen dood te bijten.

En niet alleen de Westerse postkoloniale kwestie is een agendapunt op Mangy Love, ook de feminisering van de maatschappij – de collectieve schop tegen het patriarchaat – is een thema. In Run Sister Run komt hij daarom op voor de vrouwen die hij ambieert. “My sister’s a Queen, she ain't no concubine/Don’t call my sister no concubine, she is the Mother of Creation/Who are you? Who are you to call her a concubine?” Vrouwen delven het onderspit in een door mannen gereguleerde wereld en McCombs doet een poging mensen daarvan bewust te maken (als het nog niet duidelijk was). Hij is daarin wel verdomd cryptisch en laat het daardoor over aan academici – die hij daarvoor nog te kakken zet door in Bum Bum Bum te stellen dat zij belangrijke kwesties simplificeren: “Oh, please tell me, you academics/ How do you wake up from a non-dream?” Desalniettemin loopt de onvrede door het album als bloed door een lichaam.

En als de werkelijkheid je liever gestolen kan worden dan dat je het met je draagt is het volkomen logisch om ervoor te vluchten; Cass zou niet de eerste zijn die vertrekt naar gevoelssferen in andere tijden en andere situaties die beter voelen. Mangy Love is daardoor verzadigd met klanken van niet-nu en niet-hier. Tinariwen, het boegbeeld van de hedendaagse ‘exotische’ muziek, sijpelt slinks door de fundamenten van Run Sister Run, terwijl In A Chinese Alley en It terugkijken op de glorieperiode van respectievelijk Mark Knopfler en Pink Floyd.

Zo’n divers spectrum van invloeden kunnen moeilijk uit één man komen – of in ieder geval niet van één vaste band. Voor Mangy Love heeft Cass zijn vriendenboekje opgeslagen en een aantal heftige karakters opgetrommeld. Die subtiele, mondhoekkrullende vrouwenstem op Opposite House, dat is Angel Olsen. Je kent haar vast van haar laatste plaat. En dat ingenieuze, soundsgewijs fenomenale gitaarspel op Medusa’s Outhouse en Low Flyin’ Bird is van niemand minder dan Blake Mills – nog niet zo bekend onder de populatie, maar een avant-gardist als het neerkomt op innovatief spelen. De andere invloeden van o.a. HOOPS, Rev. Goat Carson en Stuart Bogie (Transmission; Superhuman Happiness) maken Cass’ muziek en zwoele reis voor je oren.

Mangy Love is als een omgekeerde ananas, inhoudelijk hard en scherp maar klankgewijs zo zoet als een pasgetrouwd stel. De inhoud afgestemd op de huidige stroom ontevredenheid en de buitenkant gelikt en opgepoetst maakt dit tot één van de betere platen van het jaar.

Tweet Share
Geschreven door
Nick Vermeer

Nick, alias Nicholas, alias Rooie God, slijt zijn dagen met het bedenken van dubbelzinnige one-liners, terwijl hij keiharde Air door zijn - inmiddels versleten - speakers knalt. Slaap voor 10, energie voor 6 - ...